Gezonder ouder worden met een app

vr 5 oktober 2018
Gezonder ouder worden  met een app
eHealth

We worden steeds ouder maar ziektes die voorheen vooral op hoge leeftijd voorkwamen, zien we nu op steeds jongere leeftijd optreden. Gemiddeld hebben vrouwen al op hun 41ste en mannen op hun 45ste een chronische ziekte”, zegt verouderingsonderzoeker en hoogleraar interne geneeskunde Andrea Maier. In haar onderzoek naar de invloed van leefstijl op de zelfredzaamheid van ouderen ontdekte ze goede mogelijkheden om ook op jongere leeftijd actief bezig te zijn met gezonder ouder worden. De smartphone speelt daarbij een belangrijke rol. “Als je via een app ziet welke gezondheidsrisico’s je loopt, kun je daar je gedrag op aanpassen

“De smartphone is helemaal ingeweven in ons dagelijks bestaan en gaat een steeds belangrijkere rol spelen in de gezondheidszorg”, stelt Maier, die hier zelf een goed voorbeeld van is. Ze draagt een Apple Watch die stroomstootjes geeft als ze te lang stil zit, terwijl een app op haar smartphone haar herinnert aan oefeningen die ze tijdens haar dagelijks leven en werk kan doen om fit te blijven.

“Zo’n wearable en app zijn een eerste stimulans om op je eigen valkuilen te letten”, vertelt Maier. Deze werkwijze is ook toegepast tijdens het Europese PreventIT onderzoek onder ouderen tussen de 60 en 70 jaar die het risico lopen binnen 10 jaar niet meer zelfstandig te kunnen functioneren en afhankelijk zijn van zorg. Bij deze interventiestudie, waaraan 180 personen uit Amsterdam, Stuttgart en Trondheim deelnemen, werkt Maier samen met 9 universiteiten en bedrijven. De studie wordt dit jaar afgerond en levert niet alleen inzichten op voor verbetering van de ouderenzorg.

De inzet van technologie leidt tot inzichtgevende discussies

Beweegpatroon beïnvloeden

Een opvallend aspect aan deze internationale studie is dat technologie op twee manieren centraal staat: de deelnemende 60- tot 70-jarigen zijn geselecteerd via een uniek algoritme dat kan voorspellen welke personen het risico lopen ADL-afhankelijk te worden (zie kader). Ook tijdens het onderzoek wordt gebruik gemaakt van nieuwe ICT.

Het doel van het onderzoek is nagaan of technologie mensen kan stimuleren hun leven ‘moeilijker’ te maken. “Daarmee bedoelen we rijker in termen van beweging”, licht Maier toe. “We willen mensen meer en gevarieerder laten bewegen door bijvoorbeeld op één been tanden te poetsen, kniebuigingen te maken op straat of in een stijldansloopje naar de koelkast te gaan. Met dit soort eenvoudige activiteiten kun je de conditie, spierkracht en balans al een heel stuk verbeteren, waardoor ze minder snel ziek worden en het risico op blessures door vallen afneemt.”

De deelnemers aan PreventIT werden ingedeeld in drie groepen:

De eerste groep kreeg alleen op papier informatie over hoe ze hun dagelijks beweegpatroon konden verbeteren. “Dit was onze controlegroep”, zegt Maier. “We weten al vele jaren dat mensen hun gedrag niet veranderen na het lezen van een folder.”

De tweede groep kreeg een life coach die thuis met de mensen meekeek en samen met hen een plan opstelde voor waar en wanneer ze welke oefeningen zouden kunnen doen. Maier: “De life coach ging gedurende zes maanden elke twee, drie weken naar de mensen toe om te bekijken of het goed ging en waar nodig aanpassingen in de oefeningen aan te brengen.”

De derde groep werd net als bij de tweede groep bij aanvang begeleid door een life coach. Alleen kregen zij na het opstellen van hun ‘beweegplan’ een app die hen tijdens de 6 daaropvolgende maanden begeleidde bij het doen van de oefeningen. “De app op hun smartphone attendeerde hen erop dat ze een bepaalde oefening konden doen”, zegt Maier. “Ook hebben we de smartphone gebruikt om het succes van de oefeningen te bepalen. Daarvoor is een accelometer in de app geïntegreerd. De deelnemers moesten een smartphone op hun rug fixeren en daarmee oefeningen doen. Zo konden we de kwaliteit van de beweging vaststellen en nagaan of er verbeteringen zichtbaar waren.”

Betrouwbare registratie

De app in Maiers onderzoek is zo ontworpen dat de gebruiker zelf kan bepalen of hij een beweegadvies opvolgt. “Als een appje oppopt dat attendeert op een bepaalde oefening, verschijnt altijd de vraag: wilt u het doen of niet? Als mensen ervoor kiezen het niet te doen, is het ook prima. We hebben de deelnemers gevraagd gewoon eerlijk te zijn.”

Een betrouwbare registratie van de oefeningen vindt Maier belangrijk. Uit eerder onderzoek dat ze bij ouderen deed, bleek namelijk dat ze zichzelf behoorlijk overschatten als ze via vragenlijsten invullen hoeveel ze bewegen. “Tijdens een onderzoek vijf jaar geleden vulde 80 procent van de ouderen in dat ze voldeden aan de beweegnorm van tenminste 30 minuten per dag, 5 dagen in de week bewegen met een verhoging van de hartslag. We hebben hen toen een week lang een accelometer meegegeven en maar 18 procent bleek werkelijk te voldoen aan de norm.” Daarom zijn accelometers nu een vast onderdeel van haar onderzoekspraktijk.

Zorg personaliseren

“Niet meer vragen, maar meten. Die mogelijkheid biedt technologie en daar maken we in de gezondheidszorg nog veel te weinig gebruik van”, stelt Maier. Zowel in eerder als in het huidige onderzoek worden de resultaten van de bewegingsmetingen samen met de deelnemers oorgesproken. “In een grafische weergave laten we over de tijd zien hoe de kwaliteit van bewegen was: rood is niet goed, blauw is goed en groen is heel goed. Ook geven we aan welke consequenties mogelijk zijn en hoe groot de kans is dat ze die krijgen. Bijvoorbeeld dat iemand zoveel procent kans heeft om over 10 jaar niet meer zijn eigen brood te kunnen smeren. Dit blijkt een goede motivator om de leefstijl aan te passen.”

Tijdens onderzoeken met onderzoeksdeelnemers of patiënten merkte Maier ook dat er inhoudelijk betere gesprekken werden gevoerd. Als voorbeeld noemt ze een man die vertelde dat hij een hond had en aangaf voldoende te bewegen omdat hij die drie keer per dag uitliet. “Op de beweegmonitor was echter nauwelijks extra activiteit te zien, dus zei ik hem met een knipoog: waar is de hond? Hij bleek die al jaren niet meer te hebben, maar dacht nog steeds dat zijn beweegpatroon goed was.”

Maier geeft aan dat het meten van activiteiten niet alleen de patiënt zelf inzicht geeft in hoe zijn gedrag echt is, maar ook additionele waarde heeft voor de arts. “Die kan op basis van objectieve informatie andere keuzes kan maken. Als je ziet dat iemand midden in de nacht is opgestaan, kun je gericht vragen ‘waarom’. Is het antwoord: “Ik kon niet goed slapen want ik moest naar het toilet”, dan kun je als arts bijvoorbeeld besluiten iemand op andere momenten zijn plaspillen te laten nemen zodat hij langer kan doorslapen. De inzet van technologie leidt in mijn ogen tot inzichtgevende discussies, andere besluiten en daarmee tot gepersonaliseerde zorg.”

Medicijngebruik monitoren

Maier denkt dat via een vergelijkbare app als bij het bewegingsonderzoek ook het medicijngebruik van patiënten beter in beeld kan worden gebracht. Dus met een app die mensen erop attendeert dat ze een medicijn moeten nemen en waarin ze ook kunnen aangeven of ze dit wel of niet hebben gedaan.

Maier: “We monitoren niet goed welke medicijnen geslikt worden. Zo weten we dat zo’n 30 van de cholesterolverlagers in de prullenbak belandt, maar vreemd genoeg accepteren we dat nog steeds. Artsen weten dat medicijnen belangrijk zijn, maar in de spreekkamer wordt zelden besproken hoe mensen die nemen, wanneer en hoe vaak ze de medicijnen nemen, of ze ze überhaupt nemen en zo nee, waarom niet. Inzicht in het medicijngebruik en de motivatie van mensen om ze te nemen is belangrijk om de kwaliteit van de zorg te verbeteren en verspilling tegen te gaan.”

Aandacht voor de motivatie om medicijnen te slikken is in de gezondheidszorg een ondergeschoven kindje, weet ze uit eigen ervaring: “Ik schrijf wel medicijnen voor, maar ik vraag veel te weinig: zou u die wel willen slikken en weet u dat als u ze neemt, het risico op de aandoening met zoveel procent vermindert? Hier kan technologie ons ondersteunen: als een app inzichtelijk maakt welk risico iemand loopt als hij een bepaald medicijn niet neemt, kan dit de motivatie verhogen om het wel te nemen.”