‘E-health kan pas opschalen als iedereen het kan gebruiken’

wo 13 juni 2018
‘E-health kan pas opschalen als iedereen het kan gebruiken’
Innovatie

Het LUMC heeft met het NeLL initiatief genomen om e-health toepassingen te toetsen op effectiviteit en betrouwbaarheid. Door samenwerking met Pharos wordt direct gekeken of die voor iedereen geschikt zijn, ofwel: kunnen ook lager opgeleiden en andere kwetsbare groepen er mee uit de voeten? Deze gebruikerstoets maakt dat patiënten en zorgverleners beter kunnen kiezen uit het enorme aanbod aan apps. De verwachting is dat e-health met het ‘keurmerk’ eHealth4All een veel groter bereik krijgt, vertellen Niels Chavannes (LUMC) en Robbert van Bokhoven (Pharos).

Het volgens Niels Chavannes - hoogleraar LUMC - en Robbert van Bokhoven – programmaleider eHealth4All bij Expertisecentrum Gezondheidsverschillen Pharos - tijd om e-health geschikt te maken voor elke Nederlander. Niet alleen omdat het een mogelijk antwoord is op de krapte op de arbeidsmarkt en stijgende zorgkosten. “Vooral omdat e-health preventie en zorg letterlijk dichterbij brengt en laagdrempelig toegankelijk maakt,” aldus Robbert van Bokhoven. “E-health geeft mensen de mogelijkheid veel actiever te letten op een gezonde leefstijl en maakt zelfmanagement van chronische aandoeningen makkelijker. Dat past goed binnen de beweging die we willen maken van nazorg naar voorzorg. Met de voorbereidingen voor het Preventieakkoord is er momentum en energie om door te pakken.” “Al in de voorbereiding op de oprichting van het National eHealth Living Lab (NeLL) was er contact met Pharos,” vertelt Chavannes. “We willen dat het NeLL e-health toepassingen valideert, maar ook dat een zo groot mogelijke doelgroep en eigenlijk iedereen dergelijke toepassingen kan gebruiken. Nu is het zo dat laagopgeleiden de meeste gezondheidsproblemen hebben - chronische ziekten, multiproblematiek - en tegelijk het minst profiteren van e-health toepassingen. De positieve impact van e-health toepassingen moet zo groot mogelijk zijn. Dat kan wanneer we juist voor deze groep mensen e-health toepassingen begrijpelijk en makkelijk te gebruiken maken.” Robbert van Bokhoven stelt dat Pharos blij is met het NeLL-initiatief. “Er zijn ontzettend veel e-health toepassingen maar het merendeel is niet geschikt voor bijvoorbeeld laaggeletterden. Het risico is dan groot dat de gezondheidsverschillen tussen hoger en lager opgeleiden verder toenemen. Dat mag niet gebeuren. We hebben elkaar gevonden in het verbreden van het doel van NeLL. Wat is betrouwbaar en wat niet, maar ook: wat is bruikbaar voor de grote groep mensen die lager opgeleid is of beperkt gezondheidsvaardig is. Door daarop te toetsen, kan het gebruik van e-health enorm opgeschaald worden.” Basis validatie e-health Er is een aantal werkprincipes en uitgangspunten opgesteld dat als basis gaat dienen voor de validatie van e-health toepassingen (zie kader). Een werkgroep van het NeLL gaat het traject van co-creatie met gebruikers uitwerken. Van Bokhoven: “Het gaat om het betrekken van het patiënt- of gebruikersperspectief bij het ontwerp en testen van e-health toepassingen. We nemen daarbij in principe iedereen mee, ongeacht opleidingsniveau, niveau van gezondheidsvaardigheden en beperkingen (motorisch, visueel, auditief). Die kennis is cruciaal: wat komen ervaringsdeskundigen tegen bij het gebruik van e-health, waar lopen zij tegen aan en wat zijn de wensen en behoeften.” De validatie moet zowel eindgebruikers als zorgverleners gaan helpen bij het maken van verantwoorde keuzes uit het grote aanbod. Het is nu nog ondoenlijk door de bomen het bos te zien. De urgentie is groot gezien de groei van het aantal mensen met chronische aandoeningen. Denk aan recent nieuws dat één op de drie Zuid-Limburgers diabetes heeft of dat op termijn kan krijgen. Wanneer mensen hun COPD of diabetes met e-health die voor iedereen werkt, monitoren, kunnen er veel complicaties worden voorkomen. e-health is dan weer uitermate geschikt om informatie op de individuele gebruiker toe te snijden en maatwerk te bieden. E-health inbedden in bestaande zorg Chavannes onderstreept hier het belang van evidence based e-health die ingebed moet worden in de bestaande zorgprocessen, niet er als extra laag bovenop. Alleen dan kunnen artsen en verpleegkundigen het een goede plek geven in hun dagelijkse zorg. Ook dat is maatwerk en een belangrijk uitgangspunt waar het NeLL voor staat. De LUMC-hoogleraar wijst erop dat belangrijke veroorzakers van veel chronische ziekten, zoals roken en overgewicht, zich bovengemiddeld concentreren bij lager opgeleiden. Interventie met behulp van gepersonaliseerde eHealth toepassingen - mits eHealth4All-proof - kan hier dan ook bovengemiddeld helpen. De StopAdvisor die mensen ondersteunt bij het stoppen met roken is een goed voorbeeld. Van Bokhoven geeft aan dat deze in het Verenigd Koninkrijk is ontwikkeld en daar effectief is gebleken juist bij lager opgeleiden. Reden voor Pharos om met het LUMC en het Trimbos Instituut aan de slag te gaan voor een Nederlandse versie. Uitgangspunten zijn co-creatie, blended care en persoonsgericht maatwerk. De app zal ook aandacht hebben voor dieperliggende oorzaken waarom mensen blijven roken, zoals stress door schulden of eenzaamheid. Van Bokhoven: “Dus geen algemene blauwdruk, maar een e-health toepassing die allerlei opties en adviesmogelijkheden biedt afhankelijk van de hulpvraag. Bij de een kan dat advies zijn over de beste manier om aan stressreductie te doen, bij de ander kan het praten met lotgenoten zijn.” Lokaal maatwerk nodig Maatwerk is ook het uitgangspunt bij de implementatie van e-health toepassingen. Ook dat past bij deze samenwerking tussen Pharos en het LUMC binnen NeLL. Hoewel het NeLL landelijke e-health ambities koestert, vraagt implementatie om inpassing in de regionale en lokale context. Vraag en problematiek verschillen immers per regio, gemeente en zelfs per wijk. De sociaal-economische samenstelling en cultuur is in Amsterdam anders dan op het platteland van Groningen. Daar moet ook rekening mee gehouden worden bij het maken van lokale afspraken op e-health gebied. Partners kunnen regionaal of lokaal in netwerkverband afspraken maken over het gebruik van e-health: hoe te stimuleren, hoe kunnen we mensen en juist ook lager opgeleiden ertoe verleiden, wat spreken we af over verwijzing naar follow-up in de eigen buurt en zijn er (financiële) barrières die we moeten slechten door toepassingen bijvoorbeeld op te nemen in gemeentepolissen?