Zorgdata waardevol voor de kennis over hart- en vaatziekten

ma 6 september 2021 - 13:10
Hart-Computer-Behandeling
Onderzoek
Nieuws

Op 2 september promoveerde onderzoeker Sophie Bots van het UMC Utrecht op haar onderzoek naar de toegevoegde waarde van reguliere zorgdata bij de zoektocht naar de verschillen in de reactie op medicatie tussen mannen en vrouwen met hart- en vaatziekten. Uit het onderzoek komt naar voren dat vrouwen en mannen anders kunnen reageren op medicatie die voor deze aandoeningen toegediend wordt.

Sophie deed onderzoek naar de verschillen in de reactie op medicatie voor hart- en vaatziekten tussen mannen en vrouwen. Daarvoor maakte Sophie gebruik van de data uit 110.000 elektronische patiëntendossiers. Doel van het onderzoek was het beantwoorden van de vraag of zorgdata meer kennis kan bieden over man-vrouw verschillen in de veiligheid en effectiviteit van medicijnen die veel voor hart- en vaatziekten worden voorgeschreven.

De resultaten in wetenschappelijk onderzoek naar hart- en vaatziekten worden doorgaans voor vrouwen en mannen gezamenlijk gepresenteerd. “Hierdoor is er een gebrek aan geslachtsspecifieke kennis, onder andere over de optimale behandeling van vrouwen en mannen met hart- en vaatziekten", vertelt onderzoeker Sophie Bots.

Verschillen tussen mannen en vrouwen

Die vraag wordt, zo kan geconcludeerd worden, met het onderzoek grotendeels beantwoord. Met de zorgdata kan aangetoond worden dat vrouwen vaker vanwege een bijwerking met hun medicatie stoppen dan mannen. Debet daaraan is vooral het feit dat vrouwen meer bijwerkingen melden. De percentages verschillen per geneesmiddel en variëren van 11 tot 50 procent. Daarbij is in het onderzoek rekening gehouden met een correctie voor het aantal voorgeschreven recepten.

Bijwerkingen die door vrouwen vaker gemeld worden, en waar zij dus ook vaker last van hebben, zijn: hoofdpijn, duizeligheid, allergische reacties en buikpijn. Mannen hebben daarentegen vaker last van hart- of niergerelateerde klachten. “Het risico op bijwerkingen van medicatie voor hart- en vaatziekten verschilt tussen vrouwen en mannen. Dat vraagt om geslachtsspecifieke informatie over de bijwerkingen van medicatie, die artsen kunnen gebruiken in hun overleg met de patiënt”, concludeert Sophie.

Dosering medicatie

Een andere constatering die uit de zorgdata naar voren komt is het feit dat de optimale dosering van medicatie voor hartfalen mogelijk lager is voor vrouwen dan voor mannen. Op dit moment krijgen vrouwen vaker al een lagere dosering. Dat heeft een maximaal gunstig effect op overlijdensrisico. Echter, de voorschriften zoals die nu gelden, schrijven voor mannen en vrouwen dezelfde dosering van medicatie voor.

Deze bevinding suggereert dat vrouwen mogelijk beter af zijn met een lagere dosis. Dit zou goed onderzocht moeten worden in een klinische trial, want zorgdata geeft wel een richting, maar daar zitten toch wel haken en ogen aan. Het onderzoek onderstreept in ieder geval dat het rapporteren van geslachtsspecifieke dosis voor medicatie betere zorg kan opleveren voor patiënten met hartfalen”, aldus Sophie.

Ook keek Sophie in haar onderzoek naar de man-vrouw verschillen in de werkzaamheid van statines (cholesterolverlagende middelen). Uit de onderzochte zorgdata blijkt dat statines de kans op overlijden verlagen. Dat geldt zowel voor vrouwen als mannen, maar het effect is mogelijk zelfs sterker bij vrouwen (34% lager overlijdensrisico vergeleken met 11% bij mannen). Een hogere dosering heeft een sterker effect dan een lagere dosering, maar het verschil is marginaal.

“Dit onderzoek bevestigt dat statines ook voor vrouwen effectief zijn en dat zelfs een lage dosering al een groot verschil kan maken. Hopelijk neemt dit resterende twijfels weg bij zowel behandelend artsen als vrouwen die in aanmerking komen voor behandeling met een statine” zegt Sophie.

Toegevoegde waarde zorgdata

Concluderend stelt Sophie dat haar onderzoek aantoont dat zorgdata een toegevoegde waarde voor het beantwoorden van openstaande vragen over man-vrouw verschillen in hart- en vaatziekten leveren. “Deze data tonen aan waar man-vrouw verschillen kunnen optreden en identificeren zo onderwerpen die meer onderzoek behoeven. Dit kan de wetenschappelijke onderzoeksagenda informeren over welke nieuwe klinische trials en cohortstudies nodig zijn voor vervolgonderzoek", zo besluit Sophie.