‘We hebben niet meer zorg, maar minder patiënten en cliënten nodig’

vr 15 april 2022
‘We hebben niet meer zorg, maar minder patiënten en cliënten nodig’
Digitalisering
Premium

Al haar hele carrière in de zorg is Helder bezig met technologische innovatie. Met name buiten haar eigen vakgebied kijkt ze naar ontwikkelingen die het leven van zorgmedewerkers en cliënten verbeteren en vergemakkelijken. De ICT&health Openingsmanifestatie op 9 mei 2022, waar Helder zal spreken, sluit daar naadloos op aan. Ook in haar ambt als minister van Langdurige Zorg en Sport ziet zij innoveren als voorwaarde voor het behouden van kwalitatief goede zorg.

Wat was de grootste eye opener in uw eerste maanden als minister?

“Eigenlijk ben ik vooral bevestigd in de uitdaging die ik voor me zag. Niet alleen in de ouderenzorg, maar in de gehele langdurige zorg waar ik nu verantwoordelijk voor ben, waaronder ook de gehandicaptenzorg en de GGZ. Willen we goed voorbereid de toekomst ingaan en warme en persoonlijke zorg overeind houden en veiligstellen, dan moeten we met elkaar in de benen om de zorg anders te organiseren.”

“Een andere eye opener die me blij maakt, is om te zien dat er in den lande zo veel goede voorbeelden te vinden zijn. Zowel in de ouderenzorg als in de gehandicaptenzorg en GGZ. Veel organisaties denken na over de vraag hoe ze kunnen veranderen, zodat ze de hogere zorgvraag die op ons afkomt, kunnen opvangen met minder personeel.”

“Ook binnen het ministerie kom ik ambtenaren tegen, die daar goede ideeën over hebben en verbinding hebben met de zorgsector zelf. Ik keek natuurlijk van buiten naar binnen en nu zit ik binnen het ministerie en kijk naar buiten. Maar de verbinding met de sector, met de dagelijkse zorgpraktijk, vind ik heel belangrijk.

Hoe vindt u dat de langdurige zorg zich de komende 10 jaar moet ontwikkelen?

“De langdurige zorg is arbeidsintensief, verreweg de meeste zorgmedewerkers werken in deze sector. Ik denk dat we tijdens corona al een goede slag hebben geslagen door mensen te laten zien dat zorgmedewerkers kunnen werken waar cliënten wonen en niet andersom. De volgende fase is om dat gevoel vast te houden, maar wel te kijken naar hoe om te gaan met de beperkingen van de arbeidsmarkt.”

“Dit betekent bijvoorbeeld dat ouderen veel meer in hun eigen voorkeursomgeving blijven wonen - we weten dat zij dat ook graag willen - en daar de zorg kunnen ontvangen, die ze nodig hebben. We moeten het niet langer hebben over verpleeghuis-, maar over verpleegzorg. In de gehandicaptenzorg en GGZ zie je eenzelfde vraag en beweging. Zorgorganisaties denken na over hoe hun expertise kan worden ingebracht in het dagelijks leven en netwerk, dat iemand al heeft.”

“Daarnaast ben ik bezig met de preventieve kant: hoe kunnen we ervoor zorgen dat de zorgvraag afneemt? We hebben niet meer zorg, maar echt minder patiënten en cliënten nodig. Anders kunnen we het qua personeel niet bolwerken.”

Wat is ervoor nodig om deze ontwikkelingen in gang te zetten?

“Hiervoor moeten we technologie, ICT en bijvoorbeeld ook AI gebruiken. Dat klinkt altijd makkelijker dan het is, maar het is wel nodig. Centraal hierbij staat de vraag: hoe kunnen we dit op zo’n manier doen, dat het ook effectief is? Dat het daadwerkelijk tot een lagere zorgvraag en meer zelfstandigheid leidt en dat werken in de zorg leuk is?”

“Bij ouderen wil ik liever denken in termen van toekomst voor ouderen en niet in termen van ouderenzorg. We moeten kijken hoe zij sterker en minder afhankelijk kunnen blijven, in plaats van dat we het steeds hebben over toenemende kwetsbaarheid en afhankelijkheid. Dat is een paradigmashift, een ander denkpatroon.”

“Technologie kan helpen bij de zelfstandigheid en autonomie, die je mensen gunt die ouder worden of met beperking moeten leven, of dat nou lichamelijk, geestelijk of verstandelijk is. Zelfstandig zijn is toch het grootste goed. Dat je jouw eigen leven kunt leiden zoals jij graag wilt en dat je je daar ook sterk en veilig in voelt. Met de langdurige zorgpartijen ben ik in gesprek hoe we dat samen voor elkaar krijgen, natuurlijk rekening houdend met de uitdagingen die we nu al hebben.”

Op welke manier gaat u dat vanuit uw ministerschap oppakken?

“Dat is wel even wennen. Ik was natuurlijk gewoon om dat jaren vanuit een bestuurlijke rol te doen. Hierbij ben ik overigens nooit de werkvloer kwijtgeraakt, ik vind het belangrijk om als bestuurder niet alleen met de handen op de rug te staan, maar vooral ook de connectie te hebben met hoe het in de praktijk gaat. Het helpt mij altijd enorm om met cliënten en medewerkers te praten en te horen wat niet of juist wel goed gaat. Dat neem ik ook in mijn ministerschap mee. Ik blijf werkbezoeken doen om duidelijk te maken: ik zie het, ik hoor het, het doet me wat en samen zijn we bezig om de zorg te verbeteren.

INNOVEREN IS EEN WERKWOORD

“Nu heb ik andere instrumenten dan als zorgbestuurder. Vanuit VWS kan ik sturen met het stelsel, de wetgeving, de financiering, maar vooral ook met aandacht. En dat laatste wil ik echt doen: aandacht geven aan de goede voorbeelden, kijken waar men nog niet zo ver is en dan vragen: waarom niet? Ik vind dat we de vrijblijvendheid voorbij moeten. We weten en dat hebben we door COVID-19 gezien - dat de zorg aan de grens zit van wat mogelijk is. Daarom móéten we met de samenleving in gesprek over wat er van de zorg verwacht kan worden. En met zorgprofessionals moeten we hebben over hoe we het werk zo kunnen indelen dat het wel te doen is en hoe de zorgvraag kan worden verminderd.”

‘Ik ben ervan overtuigd dat we met innovatie de kwaliteit van zorg en de kwaliteit van leven kunnen vergroten. Maar de tijd van alleen maar inspiratie opdoen en innovaties uitproberen, bijvoorbeeld met pilots, is voorbij. We moeten echt een volgende stap zetten en daar zet ik me als minister voor in.”

Hoe wilt u die bredere inzet van technologische innovaties stimuleren?

“Het gaat er nu vooral om dat we de beschikbare innovaties echt gaan gebrúíken in de dagelijkse zorgverlening. Zo ervaren veel zorgorganisaties dat ook: de relevantie van innovatie is duidelijk, maar ze zoeken vaak nog naar het hoe, zo bleek ook uit de E-health Monitor van 2021 (zie ook ICT&health 1 - 2022 red.). En dat is niet eenvoudig. Je kunt niet elke innovatie zomaar overal, bij elke patiënt of cliënt, inzetten. Iedereen is anders en heeft andere behoeftes en voorkeuren. Maar dit betekent wel dat we het hier met elkaar over moeten hebben, veel vaker dan we nu doen.”

“Ook vind ik het belangrijk dat zorgorganisaties hun medewerkers meenemen in innovatie, zodat ze het zien als iets wat hun werk en het plezier daarin verbetert, in plaats van als een last die op hen afkomt. Ik geloof er heel erg in dat zij de verandering zelf mee moeten sturen en waar mogelijk zelf initiëren. Daarnaast is het van belang om na te denken over wat er nog niet is, maar wel ontwikkeltijd nodig heeft. Dus ook investeren in nieuwe kennis en innovatie.”

Wat is uw belangrijkste lesson learned als het gaat om zorginnovatie?

“Reken je niet rijk en ‘tick all the boxes’. Innovatie en grote veranderingen werken alleen als je stap voor stap alle dingen kunt afvinken die je moet doen. Het heeft bijvoorbeeld geen zin om een innovatief apparaat neer te zetten, als je het niet goed aan de man brengt bij de medewerker of de medewerker niet heeft bedacht welk probleem dit gaat oplossen.”

“Innoveren is een werkwoord, je moet volharden. Echt innoveren is dingen bedenken die er niet zijn, maar een groot deel gaat natuurlijk gewoon over het proces beter inrichten. Daarbij moet je verschillende fasen onderscheiden. Als er een innovatieve oplossing is bedacht, begint het pas. De nieuwe werkwijze moet je vervolgens goed implementeren. En daar hoort ook dé-implementeren bij, dingen weghalen.”

“Belangrijk vind ik verder: laat zorgmedewerkers zelf nadenken over wat er beter kan en hoe ze het anders kunnen doen. De beste innovaties zijn simpel, makkelijk te implementeren en sluiten heel erg natuurlijk bij het werkproces aan. Als het ingewikkeld is, dan doe je iets niet goed. Daarom is het zo belangrijk om innovaties te laten bedenken door de medewerkers, die er elke dag mee werken.”

Hoe kunnen nieuwe ICT-spelers worden verbonden met traditionele zorgpartijen? Neemt u de regie om de vrijblijvendheid ervan af te halen?

“Zorgorganisaties en nieuwe, innovatieve partijen vinden elkaar al op veel plekken. En dat is hartstikke goed. Vanuit de overheid kunnen wij natuurlijk ook partijen bij elkaar brengen, goede initiatieven ondersteunen en zorgen voor een duidelijk overzicht van alle mogelijkheden. En dat doen we ook. Bijvoorbeeld met het communicatieprogramma ‘Zorg van Nu’. Binnen dit programma worden op verschillende manieren ervaringen met slimme zorg gedeeld en geven we meer bekendheid aan innovaties, om zo de kennis over en het gebruik ervan te vergroten.”

“Een handig loket waar ik zorgprofessionals op wil wijzen, is ‘Zorg voor Innoveren’, een samenwerking van VWS, NZa, ZIN, ZonMw en RVO. Dit is een praktisch aanspreekpunt voor advies, informatie en verbinding om innovatie snel toe te passen en op te schalen.”

“Maar ook vanuit het veld zijn er mooie voorbeelden, zoals het Kenniscentrum Digitale Zorg van Zorgverzekeraars Nederland. Daar kunnen ontwikkelaars hun innovatie laten toetsen zodat zij snel weten of zorgverzekeraars deze kansrijk vinden voor grootschalige toepassing in de zorg.”

“En ik wil de ‘silver economy’ niet onbenoemd laten. Dat is een mooie term voor de groeiende consumentenmarkt van gezondheids- en zorg-gerelateerde artikelen, die ouderen zelf kunnen aanschaffen. Daarmee kunnen ze langer fit en zelfstandig blijven. Ik vind het belangrijk dat die markt zich op een gezonde manier blijft ontwikkelen. Daar ga ik graag over in gesprek met de betrokken partijen.”

“Het is aan mij om ervoor te zorgen dat partijen in het veld in positie zijn om hun rol te spelen en dat dan ook daadwerkelijk doen. Mochten ze daarbij tegen knelpunten aanlopen, dan kijk ik of we vanuit de overheid iets kunnen betekenen om die knelpunten weg te nemen. Of meer te sturen als dat nodig is.”

Gaat u op het gebied van digitalisering van de zorg samen optrekken met Alexandra van Huffelen, staatssecretaris voor digitalisering?

“Absoluut. Ik denk dat er veel raakvlakken zijn tussen onze portefeuilles. In de toekomst komt er alleen maar meer data beschikbaar. Daarom wil ik op veel terreinen samen optrekken met de staatssecretaris, zoals bij gegevensuitwisseling. Ernst Kuipers (minister van VWS, red.) is bezig om dit binnen de zorg tot stand te brengen, onder meer via het Informatieberaad Zorg en de wet Elektronische Gegevensuitwisseling in de Zorg. Daar sluit ik me bij aan als het gaat om het belang van de langdurige zorg. Goede en veilige uitwisseling van persoonsgegevens is cruciaal om samenwerking in de zorg verder te stimuleren en zo de zorg efficiënter in te richten. Dus zoek ik ook de staatssecretaris regelmatig op om veilige gegevensuitwisseling te vergemakkelijken.”

“Digitale vaardigheden: nog zo’n onderwerp dat ons allebei raakt. Digitaal vaardig zijn is belangrijk, zeker ook voor ouderen. Zij zullen steeds vaker een deel van hun zorg digitaal ontvangen. Dan moeten mensen er natuurlijk wel raad mee weten. Bibliotheken spelen een belangrijke rol om hen digitale vaardigheden te leren en te helpen als ze online ergens tegenaan lopen. En mensen kunnen altijd de Digihulplijn op 0800- 1508 bellen als ze problemen hebben met hun computer, tablet of smartphone. De komende tijd willen Alexandra van Huffelen en ik nog meer op dit soort initiatieven inzetten, binnen de Alliantie Digitaal Samenleven.”

U geeft aan dat inzetten op preventie noodzakelijk is om de toekomstige zorgvraag te verminderen. Hoe wilt u bijdragen aan een vitale samenleving?

“Gelukkig weten we steeds meer over wat we nodig hebben om onze gezondheid te beschermen en vitaal te blijven, ook op hoge leeftijd. Bewegen is daarin zó belangrijk. Het is echt ‘use it or lose it’ voor ouderen. Steeds meer mensen beseffen gelukkig ook dat sporten en bewegen belangrijk is.”

“Tegelijkertijd weten we dat een deel van de mensen de gewoonte van het sporten is verloren, mede door de coronacrisis. Het gaat er nu om zoveel mogelijk mensen weer aan het sporten te krijgen. Ik wil me daar echt sterk voor maken en gelukkig hoef ik dat niet alleen te doen. Samen met staatssecretaris Maarten van Ooijen (van VWS, red.) zet ik me in om iedereen in Nederland regelmatig te laten bewegen. Hij doet dat vanuit zijn verantwoordelijkheid voor preventie in het algemeen en ik in mijn hoedanigheid als minister voor Sport. Regelmatig bewegen is goed voor je lijf, goed voor je hoofd en uiteindelijk ook goed voor de zorg. Dat moeten we dus blijven stimuleren.”

“Maar er zijn ook andere manieren waardoor mensen langer gezond en fit blijven. Ik denk dan bijvoorbeeld aan valpreventie. Vanuit mijn tijd als zorgbestuurder weet ik hoeveel persoonlijk leed en zorg we kunnen voorkomen met de juiste inzet van innovaties als de heupairbag en de slimme vloer. Maar het voorkomen van vallen kun je ook op andere manieren doen. Ik wil er samen met gemeenten en zorgaanbieders voor zorgen dat we op tijd de ouderen weten te bereiken die een verhoogd risico lopen om te vallen. We moeten hen helpen om dat risico te verlagen. Bijvoorbeeld door te kijken naar medicijngebruik, woonomstandigheden en het vergroten van hun fitheid.”

“Daarbij ik denk ook aan sociale en mentale fitheid. Het is belangrijk om ouderen in staat te stellen mee te blijven doen in de maatschappij. Dat is zó goed voor mensen. Het houdt ze scherp en zorgt daarnaast voor gezelligheid en steun als het leven tegenzit. Om nog niet eens te spreken over het belang van goede kennissen en vrienden, die bijvoorbeeld kunnen helpen met een ritje naar de apotheek. Technologische innovaties kunnen een grote rol spelen in het makkelijker maken om contact te houden met andere mensen.”

Welke maatregelen wilt u op korte termijn nemen om de beweging richting toekomstbestendige zorg in gang te zetten?

“Ik hang erg aan een programmatische aanpak en de samenhang der dingen, zodat ze elkaar kunnen versterken. Als we bijvoorbeeld willen dat ouderen in hun eigen omgeving ouder kunnen worden en zorg kunnen ontvangen, dan moet de omgeving daar zo veel mogelijk op ingericht zijn. Senioren hebben passende woningen nodig. Met voorzieningen en sociale contacten dichtbij, maar ook met een zodanige inrichting dat je thuis kunt blijven wonen als je bijvoorbeeld minder goed ter been wordt. Je ziet steeds meer geschikte huisvesting op de markt komen, maar nog niet genoeg. Ik werk daarom veel samen met minister De Jonge van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Hij kent de langdurige zorg natuurlijk ook goed. Samen gaan we een programma ‘Wonen en ouderen’ opzetten. We werken de details momenteel nog uit, maar ik hoop voor de zomer de precieze inhoud van dat plan te kunnen delen.”

“Daarnaast zoek ik proactief de samenwerking met Karien van Gennip, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Samen kijken we naar de arbeidsmarkt. Ook binnen ons ministerie hebben Ernst Kuipers, Maarten van Ooijen en ik met elkaar afgesproken dat we onze drie portefeuilles in samenhang met elkaar brengen, zodat wat we inzetten en doen, ook echt effectief is.”

WE MOETEN DE BASISZORG VERSTERKEN

Op welke terreinen is het meeste winst te boeken als het gaat om de inhoudelijke samenwerking tussen Ernst Kuipers, Maarten van Ooijen en u?

“Dat is lastig kiezen! Ernst Kuipers is verantwoordelijk voor onder meer de curatieve zorg, Maarten van Ooijen voor preventie, de WMO en jeugdzorg, ik voor de langdurige zorg, geestelijke gezondheidszorg en sport. Maar iedereen die de zorg een beetje kent, weet dat er ontzettend veel uitwisseling is tussen de verschillende sectoren.”

Een belangrijk thema voor mij is het versterken van de basiszorg. Die hebben we hard nodig met zoveel thuiswonende ouderen. Daarvoor moeten we onder meer de samenwerking tussen de huisarts en de wijkverpleegkundige verder verbeteren. Net als de samenwerking tussen de huisarts en de specialist ouderengeneeskunde. Als meer mensen zorg in hun eigen omgeving gaan ontvangen, móéten die beroepsgroepen, samen met het sociale domein, als een goed netwerk fungeren.

Ernst Kuipers en ik hebben in de coronacrisis beiden ervaren hoe de ziekenhuiszorg en de langdurige zorg kunnen samenwerken. Hoe we daar gevolg aan geven, daarover zoeken we elkaar regelmatig op.“

En we kunnen, zoals ik al zei, veel meer doen aan preventie en ondersteuning van ouderen. Daarom is de samenwerking met Maarten van Ooijen zo belangrijk. Vanuit de WMO kunnen gemeenten maatwerk bieden aan inwoners, die ondersteuning nodig hebben om actief te blijven of thuis te kunnen blijven wonen. Ik denk dat daar nog een wereld te winnen is. Dat is overigens niet alleen een kwestie van willen of kunnen. Het zal moeten.”