‘Technologie moet meer zijn dan een leuke gadget’

vr 11 december 2020
‘Technologie moet meer zijn dan een leuke gadget’
ICT
Premium

Het programma Innovatie-impuls gehandicaptenzorg wil de invoering en het gebruik van technologie versnellen (zie ook ICT&health 4, pagina 68-69). Wat zijn de ervaringen uit het eerste jaar van de financiële regeling, waarin geïmproviseerd moest worden als gevolg van de corona-uitbraak? Wat zijn de uitdagingen voor de tweede fase, de implementatiefase? Brigitte Verhage, Jorrit Ebben en Anneke Augustinus maken de balans op.

De Innovatie-impuls - een driejarig programma van VWS - ging in september 2019 van start. Het wil bij gehandicaptenorganisaties een beweging op gang brengen om vaker technologie te gebruiken die toegevoegde waarde levert voor cliënten. “De ambities zijn erg hoog”, stelt Brigitte Verhage, bij VWS verantwoordelijk voor het programma vanuit de directie langdurige zorg. “Veel pilots met technologie worden opgestart maar doven uit na het eind van de pilot-periode, na het vertrek van een projectleider of bij het aantreden van een nieuwe bestuurder. Wij willen dat zorg- aanbieders technologie blijven gebruiken, ook na afloop van de pilot.”

De Innovatie-impuls moet deelnemende organi- saties een gestructureerde werkwijze bieden met veel vrijheid om gaandeweg bij te sturen en te leren van opgedane ervaringen. Het eerste jaar van zijn bestaan is gebruikt om grondig te analyseren waar de deelnemende organisaties staan. De randvoorwaarden zijn in beeld gebracht. Ook is veel tijd besteed aan het formuleren van de vragen van cliënten.

Technologie wordt alleen ingevoerd wanneer die een antwoord geeft op een zorginhoudelijk vraagstuk dat cliënten of hun familie zelf hebben aangedragen. Als die technologie hun leven prettiger maakt, is dat ook motiverend voor zorgmedewerkers. Zij hebben in het eerste jaar meegedacht over veranderingen in hun werkprocessen. “Dit programma stuurt niet van bovenaf maar wordt uitgevoerd ‘samen met’”, zegt Verhage.

De Innovatie-impuls behoort tot het programma Volwaardig leven waarmee VWS de gehandicaptenzorg toekomstbestendiger wil maken en wil helpen om te vernieuwen. De belangstelling voor het programma is groot. 39 organisaties zijn in september 2019 begonnen aan de eerste fase, de kwartiermakersfase. Begin oktober waren 26 organisaties zover dat ze konden overgaan naar de implementatiefase die loopt tot eind 2021. De overige partijen hebben zich teruggetrokken, vaak omdat ze nog een aantal randvoorwaarden op orde moeten krijgen. Ook deze organisaties hebben echter geleerd van het project. Voor de programma-organisatie is alleen dat al een succes.

"De digitale wereld en de zorgwereld vinden elkaar in dit traject"

Roerig eerste jaar
Het was een roerig eerste jaar. In het voorjaar moest het programma worden aangepast vanwege de eerste coronagolf. Online bijeenkomsten vervingen fysieke bijeenkomsten. Accenten verschoven. “Corona heeft het urgentiebesef naar een veel hoger niveau getild. Het gebruik van technologie staat bij zorgorganisaties nu echt op de agenda”, zegt coördinator implementatie Jorrit Ebben, hoofd Strategie en Innovatie van Academy Het Dorp en initiatiefnemer van de Innovatie-impuls.

De coronaperikelen zorgden voor een langere doorlooptijd van de kwartiermakersfase. “Als alle medewerkers van een organisatie voor het primaire proces nodig zijn, wordt de doorlooptijd van een traject automatisch langer. De prioriteiten verschuiven”, legt programmaleider Anneke Augustinus van Vilans uit.

Technologie structureel opnemen
Maar de coronacrisis heeft ook wat opgeleverd. Aanvankelijk was de bedoeling dat grootschalige werkplaatsbijeenkomsten zouden plaatsvinden. Die zijn vervangen door kleinschaliger netwerkbijeenkomsten rond zes inhoudelijke thema’s. Hieraan wordt nog een netwerk toegevoegd voor de duurzame implementatie van technologie die is geïntroduceerd tijdens de eerste coronagolf in het voorjaar. Organisaties zijn destijds vaak zonder visie overgeschakeld op beeldbellen zonder na te denken over de borging. Daar was ook geen tijd voor. Nu gaat het erom de technologie structureel op te nemen in de werkprocessen.

Bijzonder is dat IT-medewerkers in het eerste jaar gelijk betrokken zijn bij de analyse en bij het bedenken van oplossingen. Meestal hebben zij geen contact met cliënten, vertelt Augustinus. “De digitale wereld en de zorgwereld vinden elkaar in dit traject. Het is echt bijzonder dat die twee werelden elkaar ontmoeten. Zorgmensen en IT-mensen spreken verschillende talen. Nu leren ze elkaar te verstaan en te versterken.”

In het eerste jaar hebben cliënten aangegeven welke vraagstukken voor hen het belangrijkst zijn. Die zijn gegroepeerd in de thema’s zelfredzaamheid, dagstructuur, lekker slapen, zelfredzaamheid en veiligheid in de woning, sociaal contact, en begrepen worden en spanning reguleren. Voor cliënten kan technologie ondersteuning bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een app die helpt bij het indelen van de dag of die helpt bij ingewikkelder taken zoals koken. De grootst winst zit volgens Augustinus in het op gang komen van het gesprek met de cliënt. “Dit programma moet de persoonsgerichte zorg versterken en ervoor zorgen dat technologie in de gehandicaptensector meer is dan een leuke gadget. We gaan in kleine stapjes kijken of dat lukt.”